Maakt groente en fruit gelukkig?

Dat groente en fruit goed zouden zijn voor de lichamelijke gezondheid, is algemeen bekend. Of je ook gelukkiger wordt van het eten van groente en fruit, is een vraag die in de wetenschappelijke literatuur nog niet vaak aan bod gekomen is. Althans, niet voor zover ik dat kon vinden. Er is wel veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen voedingspatronen en bijvoorbeeld depressie, maar dat is toch wat anders dan geluk.

happy_cherries

Vorig jaar publiceerden twee Australiërs resultaten van een grote epidemiologische studie, waarin ze vonden dat mensen die in de twee jaar tussen twee onderzoeksmomenten meer groente en fruit gingen eten, gelukkiger werden. De Australiërs deden een hele reeks statistische tests om te controleren of het wel echt groente en fruitconsumptie was dat het geluk verhoogde in plaats van andersom. Al kun je daar nooit helemaal achter komen in epidemiologisch onderzoek, alle statistische tests wezen wel die kant op. De resultaten werden bevestigd in recentere onderzoeken naar psychische welbevinden en psychische stress.

Het jammere van de Australische studie is, dat er een periode van twee jaar zat tussen de onderzoeksmomenten. Ik denk dat twee te lang is om mensen te motiveren meer groente en fruit te eten. Gelukkig lijkt het eten van meer groente en fruit al veel snelle een positieve stemming (affect) te veroorzaken. Dagboekdata van 281 jongvolwassenen suggereren dat mensen zich een dag na het eten van veel groente en fruit al beter voelen.

De hoeveelheid groente en fruit die je zou moeten eten om deze voordelen te ervaren, is trouwens best behoorlijk. Om een stijging in geluk te ervaren die vergelijkbaar is met het vinden van een baan na een periode van werkloosheid, werd geschat op 8 porties per dag. Ook voor een merkbaar effect op een positieve stemming, waren 7-8 porties groente en fruit per dag nodig. Ter vergelijking, voor meetbare effecten op lichamelijke gezondheid zijn 12 porties per dag nodig. Het effect van 6 porties was niet meetbaar.

Rood vlees en depressie

In reactie op mijn post over Australisch onderzoek naar de effectiviteit van een voedingsinterventie voor depressieve patiënten, twitterde @GJVU

//platform.twitter.com/widgets.js 

Tja, daar krijg ik woorden in de mond gelegd, die ik niet geschreven heb. En daarom schrijf ik ze nu.

red-meat_newstarget
-Afbeelding van newstarget.com naar aanleiding van WHO rapport over carcinogene effecten van rood vlees. Paleoleap.com gaf trouwens een heldere nuancerende uitleg-

Laat ik voorop stellen, dat de hypothese dat mensen minder depressief worden van rood vlees nooit onderzocht is. Dat ga ik dus ook niet beweren. Er is wel een aantal aanwijzingen, dat het misschien geen klinkklare onzin is.

De eerste aanwijzing komt van epidemiologisch onderzoek. Dat is onderzoek waar aan grote groepen mensen gevraagd is wat ze eten en hoe depressief ze zich voelen. En daar komt steevast uit dat mensen die geen vlees of vis eten vaker te maken hebben met depressies dan mensen die wel vlees of vis eten (Burkert et al., 2014; Jacka et al., 2012).

Uit dit soort onderzoek kun je geen conclusies trekken over oorzaak en gevolg. Michalak en collega’s probeerden die vraag toch een beetje te beantwoorden. Ze hebben in een grote groep mensen gezocht naar vegetariërs die te maken hebben (gehad) met depressie. Aan die mensen vroegen ze hoe oud ze waren toen ze stopten met het eten van vlees en vis en hoe oud ze waren toen ze voor het eerst met depressies te maken kregen. En, nee, de depressies leken niet het gevolg te zijn van het vegetarische voedingspatroon. Het leek eerder andersom. Deze mensen kregen gemiddeld op hun 25ste voor het eerst een depressie en stopten op gemiddeld 30-jarige leeftijd met het eten van vlees en vis.

Aan de andere kant zijn er ook twee publicaties in jongeren, waarin ook gevonden wordt dat jongeren die vegetarisch eten vaker te maken hadden met depressie. In een van die onderzoeken waren de onderzoeksdeelnemers gemiddeld 15 jaar oud. Dat maakt het volgens mij minder waarschijnlijk dat het vegetarische voedingspatroon volgde op de depressie.

Een sterkere lijn van bewijsvoering kun je zoeken in interventiestudies. Niet alleen omdatde deelnemers daadwerkelijk iets veranderd hebben in hun voedingspatroon en veranderingen in depressieve klachten gemeten zijn, maar ook omdat hier duidelijker onderscheid gemaakt kan worden tussen vis en rood vlees. Er zijn best veel van dat soort onderzoeken gedaan. Opie en collega’s hebben een mooie opsomming van als die onderzoeken gemaakt.  En zij winden er geen doekjes om. Onderzoeken waarin geadviseerd werdom minder rood vlees en/of minder cholesterol te eten leidde minder vaak tot minder depressieve klachten dan onderzoeken waarin dat niet geadviseerd werd. Het overgrote deel van dat onderzoek werd gedaan niet-depressieve mensen, de Australische trial waar ik eerder over schreef, is eigenlijk de eerste goed uitgevoerde voedingsinterventie bij depressieve patiënten. En inderdaad, hun advies was om iedere week 3 tot 4 porties rood vlees te eten.

Nu rest de vraag wat er dan in rood vlees zit, waarmee dit verband verklaard zou kunnen worden? Ik weet het niet. Jij?

Voeding als medicijn voor depressieve patiënten

Een gezonder voedingspatroon kan depressies verhelpen. Voor iedere vier patiënten met depressie die voedingsadviezen kreeg, herstelde er één. Ter vergelijking, je moet 11 patiënten met antidepressiva behandelen om er één te laten herstellen. Het effect van die voedingsinterventie kun je dus gerust indrukwekkend noemen.

jacka_2017

Fig. 2 uit Jacka et al. (2017) BMC Medicine
MADRS scores for dietary support and social support control groups at baseline and endpoint. Effect size: Cohen’s d = –1.16 (95% CI –1.73, –0.59). Baseline data n = 67; 12 week data n = 56

Dat resultaat werd bevestigd door de secundaire uitkomstmaten. Symptomen van zowel depressie als angst werden minder en de algemene klinische indruk verbeterde significant meer dan in de controlegroep. Aan de andere kant, hun gemoedstoestand, welzijn en zelfredzaamheid verbeterden in beide groepen evenveel. Bloedwaardes als glucose, cholesterol, triglyceriden en vetzuren in plasma verbeterden niet. Verbeteringen waren overigens niet gecorreleerd aan gewichtsverlies, wel aan de mate waarin deelnemers het advies opvolgden.

De controlegroep kreeg sociale steun in plaats van voedingsadviezen. Die sociale steun duurde steeds even lang en met dezelfde intervallen als de voedingsadviezen. Op die manier kun je onderzoeksresultaten nauwelijks toeschrijven aan verschillen in aandacht, tijd, of verwachtingen. Deelnemers zagen hun hulpverlener in het kader van het onderzoek in totaal 7 keer over een periode van 12 weken. Wekelijks in de eerste vier weken, daarna om de week. Reguliere zorg liep gewoon door.

Mijn vraag was natuurlijk, wat het voedingsadvies inhield? In ieder geval ruim voldoende dierlijke eiwitten: per week 2 porties vis, 3-4 porties mager rood vlees, 2-3 porties kip en maximaal 6 eieren. Veel groente en fruit: 6 porties groente en 3 porties fruit per dag. Verder behoorlijk wat vet: 3 eetlepels olijfolie per dag. En ook 5-8 porties volkoren granen en 2-3 porties magere, ongezoete zuivel.

Blijkbaar is dit voedingsadvies voldoende om depressieve symptomen te verminderen, maar niet om in deze groep ook veranderingen in biomarkers teweeg te brengen. En dat zet mij aan het denken. Zou het effect op depressie nóg groter geweest zijn, als er ook verbeteringen in bijvoorbeeld triglyceriden geweest zouden zijn? Of in de verhouding omega-6 omega-3 in het bloedplasma? Of zou het juist averechts werken om het voedingspatroon zo stevig overhoop te gooien dat triglyceriden naar beneden gaan?

Binnenkort gaan we beginnen met het aanbieden van een therapeutisch leefstijlprogramma voor patiënten met depressie en/of angst bij Lentis, een GGZ instelling in Groningen. Het programma richt zich op bewegen, ontspannen én voeding, met koolhydraatbeperking als richtlijn. En dat is een advies waarvan je wél een verandering in bloedwaardes kunt verwachten. Ik ben dus heel benieuwd wat er zal gebeuren met symptomen van depressie en angst.

Er is trouwens nog plek in die groep, dus als je iemand weet die onder behandeling is bij Lentis voor depressie en/of angst en intensief aan zijn leefstijl wil werken onder begeleiding van twee Esthers (mijzelf en leefstijlcoach Esther Steffek). Laat diegene zich aanmelden via integralepsychiatrie@lentis.nl met TLP als onderwerp. Of even bellen met het secretariaat: 050-522 3135.

MyMicroZoo symposium “Kriebels in je buik”

December 6, 2016, Leiden

Dear Esther’s blog readers, two weeks ago, on Tuesday evening I was visiting symposia about gut microbiome organized by MyMicroZoo company in Leiden. Esther has asked me, Martina Surá-de Jong, whether I would write something for you about the symposia and I did. Please, consider this text as a “blog beginner text”.

But let me tell you something about the symposia and the content of the symposia – gut microbiome.

Gut microbiome composition and its relation to men health, physical and also psychical was the main content of the symposia. Did you e.g. know that there as many bacterial cells (or even more) in human body than of human cells (Sender et al., 2016)? Gut microbiome (microbiome = bacteria, eukaryotes, viruses, and at least one archaeon) is sometimes referred as “forgotten organ” (Clemente et al., 2012). Considering gut microbiome as an organ, wouldn’t you want to know more about it? Why is this microbiome so important to us? And how can we influence our gut microbiome? You can see the connection between the gut microbiome and human body at following figures.

1

Crosstalk between an organism and its gut commensal microbiota has both potentiating and detrimental effects on the immune response. Source of the figure: Goldszmid & Trinchieri, 2012.

2.png

Factors, which influence the composition of the human gut microbiota, with special focus on diet (Graf et al., 2015).

In total four lectures were presented during symposia. The first presentation was from MyMicroZoo by Derek Butler and Tom van den Bogert (introduction of MyMicroZoo company), second one gave Koen Venema (about composition of gut microbiome and how these bacteria can influence us), third one gave Sigrid van der Marel (diet advices to make our gut microbiome better) and the fourth one by Christian Weij (advantages of fermented food for our health).

If you would ask me to sum up the symposia take-home messages, I would tell you:         Gut microbiome is responsible for couple of processes in human body, among them e.g. for the development of the intestines, part of our immunity, production of vitamin K and other compounds and gut-brain axis. Knowledge about the connection between composition and function of gut microbiome and diseases can help in reducing disease symptoms. We can influence the gut microbiome composition by our diet, life style or environment we are living in. Among the dietary patterns that were discussed during symposia was e.g. FODMAP diet or introducing of fermented products in our diet. If you are interested in the composition of your own gut microbiome, you can order a kit on the website of MyMicroZoo company and they will analyze your gut microbiome.

Further you can read more about the symposia talks.

MyMicroZoo story                                                                                                                       MyMicroZoo was introducing their ideas, services and outcomes. MyMicroZoo is a company based in Leiden whose interest is in gut microbiome, especially gut bacteria. For those that are interested what kind of bacteria lives in their gut, they can order the collection kit at MyMicroZoo website, collect stool sample at home, send the sample back to MyMicroZoo and the company will provide the analysis of gut microbiome composition. Because MyMicroZoo tries to collect as many samples as possible, you can see the relation of your gut microbiome to gut microbiomes of other people. This is presented in an understandable graphical way (https://www.mymicrozoo.com/nl).

Gut microbiome story                                                                                                                   Second lecture was presented by professor Koen Venema from Maastricht University and CEO of Beneficial microbes consultancy. The talk of Koen was full of knowledge, scientific data and results. He introduced several nice examples what are gut bacteria responsible for. E.g. for the development of the intestines, 70% of the immunity, colonization resistance or production of vitamin K, short chain fatty acids, acetic acid, butyric acid and other compounds. Koen also showed how presence of certain bacteria can change the behavior of a healthy mouse to autistic mouse.

But let’s start from the birth as Koen did during his lecture. Birth is an important moment for colonization of gut microbiota. Depending on the method of giving a birth, babies get in contact with vaginal microflora and/or with skin microflora (Caesarian section), thus obtaining their first bacteria. Because of the higher diversity and importance of vaginal microflora, regular birth is preferred for future colonization of babies guts. The colonization of the gut is a slow, but dynamic process. Approx. at the age of three the gut microflora is developed and further on is influenced by external factors such as food, stress, environment, etc. Colonization of gut by microbiome protects us against pathogens that are invading into our bodies. Of course composition of microbiome is important, but not only that. Also its functionality is important, that means, what these bacteria can do in our gut and for us.

In relation to disease and the importance of the gut microbiome, you could ask a question: but what is the cause? Is it microbiome disturbance that causes the disease or is it a disease that causes microbiome disturbance? In other words, was there first an egg or chicken? To these questions we all would like to know the answer. Koen gave an answer to one example, obesity. It is the microbiome that influence us being obese. One solution of changing the gut microbiome might be stool transplantation from the healthy or non-obese person to the recipient. Just stool transplantation (or so called fecal microbiota transplant) does not need to help if diet or lifestyle is not adjusted as well.

FODMAP story                                                                                                                                         The third lecturer was Sigrid van der Marel-Sluijter. She is a dietist and  owner of 2FeelBetter, diet advice & coaching. Sigrid is an advisor in food regarding the composition of the microbiome and the changes one would like to achieve. For example IBD (irritable bowl syndrome), how can we change our diet and consequently microbiome in order to reduce the symptoms? Sigrid’s answer is FODMAP diet. FODMAP is the acronym for a group of osmotically active, rapidly fermentable, short-chain carbohydrates. It stands for Fermentable Oligo- Di- and Monosaccharides and Polyols. Examples of FODMAPs are lactose, fructose, sorbitol, mannitol, fructooligosaccharides, and galactooligosaccharides. The concept originated with scientists at Australia’s Monash University (web source). Sigrid introduced during her lecture this type of diet and the food we should avoid or not. For a video you can visit 2FeelBetter website, where Sigrid is talking about the diet itself: http://www.hetdieetadvies.nl/dieetadvies/fodmap-dieet/

Fermented products story                                                                                                                   The fourth lecture by Christian Weij, fooddesigner, fermentation specialist and author of a book Verrot Lekker, was about fermentation, fermented products and the positive influence of fermented products to our health. What is fermentation exactly? Christian described it as a process during which we apply microorganisms in order to make other edible products. As an example: from sugar using yeasts we can prepare alcohol, from alcohol using acetic acid bacteria we can prepare acetic acid, from fresh olives we can prepare olives that we can actually consume. A lot of products are made by fermentation. Cheese, bread, beer. Using fermentation we can preserve the food. Like sour cabbage which is prepared from cabbage and salt. Fermentation occur through lactic acid bacteria naturally present in vegetables, while lowering the pH in the bottle. At lower pH most of the  microorganisms cannot survive, that is why we preserve the cabbage using fermentation process.

In the end of Christian’s talk we received few tips for making our own healthy fermented products. I will share with you two of his tips and if you think this is not enough, I am sure there are more recipes on the internet or in his book.

Fermented vegetables – chop vegetables and mix it with at least 1.5% salt                           Sour milk – 1 liter of milk + 1 spoon of sour milk (as a starter culture)

I hope you enjoyed the symposium via this blog.

With kind regards,

Martina

References                                                                                                                                     Clemente JC, Ursell LK, Parfrey LW, Knight R. Impact of the gut microbiota on human health: An integrative view. Cell 148:1258 – 1270, 2012. doi: 10.1016/j.cell.2012.01.035

Goldszmid RS & Trinchieri G. The price of immunity. Nature Immunology 13:932–938, 2012. doi:10.1038/ni.2422

Graf D, Di Cagno R, Fåk F, Flint HJ, Nyman M, Saarela M, Watzl B. Contribution of diet to the composition of the human gut microbiota. Microb Ecol Health Dis 26:26164, 2015. doi: 10.3402/mehd.v26.26164

Sender R, Fuchs S, Milo R. Revised estimates for the number of human and bacteria cells in the body. PLOS Biology, 2016. doi: https://doi.org/10.1101/036103

Web source (16-12-2016): http://www.aboutibs.org/low-fodmap-diet/five-low-fodmap-diet-pitfalls-and-what-you-can-do-to-avoid-them.html

The rest of the text: Symposia “Kriebels in je buik”, December 6, 2016, Leiden

Voedingshandleidingen bijna klaar

annika_elisabethBeste lezers,

Wij zijn Elisabeth van Eysinga en Annika de Groot, studenten Voeding en Diëtetiek aan de Hanzehogeschool Groningen. Wij werken onder leiding van Esther Nederhof aan onze Bachelorscriptie. Naar aanleiding van feedback van deelnemers aan de haalbaarheidsstudie passen wij twee voedingshandleidingen aan, een over de Schijf van Vijf en een over het Paleodieet. We zijn daarom met name op zoek naar vrijwilligers die meegedaan hebben aan de haalbaarheidsstudie.

Wij vragen u om de vernieuwde handleidingen te beoordelen met behulp van een vragenlijst. U krijgt een van de twee handleidingen per e-mail toegestuurd, samen met de vragenlijst. Indien u ze beide wilt beoordelen kunt u dit uiteraard aangeven. Wij vragen u om de handleiding kritisch door te nemen en de vragenlijst in te vullen. Met behulp van uw feedback kunnen we de handleidingen optimaliseren, zodat iedereen ze kan volgen. Ook hulp van mensen die niet aan de haalbaarheidsstudie hebben meegedaan is welkom!

Wilt u bijdragen aan ons onderzoek? Stuur dan een e-mail naar an.l.de.groot@st.hanze.nl. U ontvangt binnen een week bericht van ons. Alvast bedankt voor uw medewerking!

Symposium over het microbioom in het UMCG

Op donderdag 27 oktober organiseerde Sasha Zhernakova, universitair hoofddocent in het UMCG, een symposium over het darmmicrobioom, dus over de beestjes die in onze darmen leven. En dat zijn er heel veel. Niet alleen in aantal, maar ook in soorten. En al die verschillende soorten leveren een enorme hoeveelheid DNA, waarmee allerlei taken vervuld kunnen worden, die je met menselijk DNA niet kunt. Zoals het omzetten van voedingsvezels in butyraat. Een verzadigd vet met slechts vier koolstofatomen, dat allerlei ontstekingsremmende eigenschappen heeft. Of het aanmaken van serotonine. 75% van alle serotonine in ons lichaam zou door darmbacteriën gemaakt worden. En bacteriën vechten voor hun eigen soort. Zo vechten onze vrienden de minder gewenste bacteriesoorten,zoals E. Coli, de tent uit.

Onderzoek naar het microbioom lijkt met name technologiegedreven. Er is in de afgelopen jaren zoveel mogelijk geworden als het gaat om het bestuderen van grote hoeveelheden DNA. En die technieken worden gretig toegepast om het leven in onze darm te onderzoeken. Wat je daarbij in je achterhoofd moet houden, is dat de producten van die bacteriën, dus bijvoorbeeld butyraat of serotonine. En de samenstelling van die producten blijkt veel stabieler te zijn dan de samenstelling van de verschillende bacteriesoorten, aldus Bas Dutilh van het UMC Utrecht.

Het grootste deel van de presentaties ging over ontstekingsgerelateerde darmziekten, zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Dat is niet verwonderlijk, bij deze ziekten is onderzoek naar het darmmicrobioom zo ongeveer begonnen. De samenstelling van de darmbacteriën is anders in mensen met darmontstekingen dan in mensen zonder darmontstekingen. Arnau Vich Vila, UMCG, ging daarbij in op de producten die meer of minder gemaakt worden door de darmbacteriën van mensen met darmontstekingen. Zo noemde hij onder andere dat hun darmbacteriën een verminderd anaeroob vermogen hebben, en minder vermogen om propionaat, ook weer zo’n korte keten verzadigd vet, om te zetten in butyraat. Ze hebben een verhoogd vermogen tot glycolyse, zeg maar het vrijmaken van energie uit koolhydraten, en meer antibioticaresistentie. Verder hebben ze een een verminderd gluconeogenese vermogen, dus ze kunnen minder glucose maken van andere stoffen, zoals lactaat en glycerine, de bouwstof van triglyceriden, wat een heel belangrijke risicofactor is voor hart- en vaatziekten. In dat licht mag het je niet verbazen dat aderverkalking in verband gebracht wordt met een verstoord darmmicrobioom.

Daar ging de presentatie van Eelke Brandsma, UMCG, over. Hij test bij muizen onder welke omstandigheden een verstoord darmmicrobioom tot aderverkalking leidt. Zijn conclusie was, dat dit alleen gebeurt bij voeding die voor 60% uit vet bestaat. Helaas wist hij niet hoeveel koolhydraten en eiwitten er in de voeding zaten, en hij ging ook niet in op de soorten vet in de muizenvoeding. Dat zou namelijk nogal wat uit kunnen maken voor de ontstekingsbevorderende werking van die voeding. Mijn voorlopige conclusie: waarschijnlijk leidt een verstoord darmmicrobioom met name tot aderverkalking als er tegelijkertijd ook sprake is van een verminderde darmintegriteit, ofwel leaky gut.

Mensen met darmontstekingen hebben ook een verminderd vermogen om voedingsvezels te fermenteren, aldus Arnau Vich Vila. En dat doet mij denken aan het specifieke koolhydraten dieet, zoals Natasha Campbell-McBride beschrijft in haar boek Gut and Psychology Syndrome. In het specifieke koolhydraten dieet worden in eerste instantie alle fermenteerbare voedingsstoffen weggelaten, om ze vervolgens heel langzaamaan weer toe te voegen. Een methode waar veel mensen enthousiast over zijn, maar waar dokters doorgaans niet achter staan.

Dat laatste heeft waarschijnlijk te maken met de manier waarop dokters denken over genezen. Ze kijken primair naar de aandoening. Zoals Harry Sokol van het Saint Antoine Ziekenhuis in Parijs aangaf na zijn presentatie, heeft het weinig zin om alleen de patiënt te behandelen, bijvoorbeeld door ontstekingsremmers te geven. Hij gaf ook aan, dat hij het weinig zinvol acht om alleen het microbioom aan te pakken, bijvoorbeeld door probiotica te geven of poeptransplantaties uit te voeren. Je moet beide aanpakken. En om blijvende veranderingen te bewerkstelligen, moet je ook naar het voedingspatroon van de patiënt kijken, aldus Harry Sokol. In zijn verhaal speelden AhR agonisten een belangrijke rol. Uit onderzoek met muizen bleek het toedienen van AhR agonisten de negatieve effecten van een verstoord darmmicrobioom tegen te kunnen gaan. En, jawel, voornamelijk groenten voorzien de darm van AhR agonisten. Maar dan zul je wel eerst de juiste bacteriën moeten hebben om die groenten te kunnen verteren, en juist van die soort, de firmicutes, hebben mensen met darmontstekingen er minder. En dan is het kringetje rond. Ik denk daarom dat Sokol gelijk heeft als hij zegt dat je alleen uit de vicieuze cirkel van darmontstekingen kunt komen door de darm tot rust te laten komen, het darmmicrobioom de juiste kant op de sturen én de goede voeding te eten om dat darmmicrobioom te onderhouden. Ik denk dan ook dat de wetenschap zich om dat soort combinatiebehandelingen moet gaan richten.

Marcel de Zoete van de Universiteit van Utrecht ging in zijn presentatie in op de vraag waaróm mensen met darmontstekingen die darmontstekingen hebben. Het is in ieder geval het gevolg van chronische laaggradige ontstekingen, zoals die ook in depressie en hart- en vaatziekten een rol spelen. Hij schrijft dat voornamelijk toe aan antistoffen die mensen (en muizen) maken tegen bepaalde soorten bacteriën. Mensen met darmontstekingen blijken antistoffen te maken tegen hetzelfde aantal soorten bacteriën als mensen zonder darmonstekingen, maar wel tegen andere soorten. Maar hoe dat dan komt? Dat is nog een mooie vraag voor toekomstig onderzoek.

Microbioom-cartoon.jpg

 

Eetbare wilde planten

Marion de Kort stuurde mij haar nieuwe boek Eetbare Wilde Planten, omdat ze benieuwd was wat ik ervan zou vinden. Eén woord: prachtig! In mijn vrije tijd verzamel ik graag voedsel uit de natuur. Heel leuk dus om dit boek te mogen reviewen.

eetbare-wp-omslag-definitief

Eetbare Wilde Planten bestaat voor het grootste deel uit recepten waarin verschillende soorten wilde planten verwerkt worden, zoals onkruiden, bloemen, vruchten en noten. Daar zitten veel soorten tussen die de meeste mensen nooit eten. Misschien omdat ze niet weten dat je ze kunt eten, misschien omdat ze niet weten wat je ermee kunt, misschien omdat deze planten niet te koop zijn in winkels waar ze doorgaans hun voedsel kopen.

Al de verschillende soorten eetbare wilde planten die Marion de Kort beschrijft kunnen de variatie in een voedingspatroon vergroten. Veel van onze gezonde voorouders aten veel meer verschillende soorten dan wij. Er zijn volkeren bekend die wel 300 verschillende soorten planten en dieren op hun menu hadden staan. Hoeveel verschillende planten en dieren staan er op jouw menu? Het lijkt daarom aannemelijk dat het vergroten van de variatie in je menu je gezondheid ten goede zou kunnen komen.

Marion de Kort deelt wilde planten in vijf categorieën, groene eetbare planten, bittere planten, planten die slijmstoffen aanmaken, geurende planten en wrange planten, die vijf verschillende stoffen maken: chlorofyl, bitterstoffen, slijmstoffen, aromatische stoffen en looizuur. Nadat ze de werking van de spijsvertering in heldere taal heeft uitgelegd, lichte ze toe hoe deze vijf verschillende soorten planten de spijsvertering beïnvloeden. Maar niet zonder waarschuwing. Waar Marion de Kort een gezondheidsbevorderende werking toekent aan kleine beetjes van de vijf stoffen, benadrukt ze ook dat grote hoeveelheden van deze stoffen de gezondheid kunnen schaden. Daarmee benadrukt ze het belang van een grote variëteit aan planten in onze voedingspatronen.

Nog een waarschuwing: eet wilde planten alleen als je er 1000% (nee, dat is geen typefout) zeker van bent dat je eetbare planten hebt verzameld. Helaas helpt het laatste stuk van het boek je daar onvoldoende bij. De prachtige foto’s helpen je niet altijd planten goed te kunnen determineren.