Hoe (on)gezond is rood vlees?

Rood vlees is al een hele tijd onderwerp van discussie. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat mensen die meer rood vlees eten een hoger risico hebben op metabool syndroom, inclusief diabetes type 2 en hart- en vaatziekten, en op verschillende soorten kanker, waaronder dikke darm kanker en longkanker. En dat is geldt ook voor onbewerkt rood vlees, al zijn de risicoverhogingen steeds sterker voor bewerkt rood vlees.

Waarom raadt het voedingscentrum ons dan toch aan om 5 keer per week vlees te eten? En hoe zit het met nieuwerwetse voedingspatronen als het Paleodieet en koolhydraatbeperkte voeding, die in de wetenschappelijke literatuur hoge ogen gooien, juist als het gaat om het verlagen van het risico op metabool syndroom? Die bevatten toch ook rood vlees? Is dat niet in tegenspraak met elkaar?

Op dinsdag 5 juni 2018 geef ik in Groningen een lezing over deze vragen. Het wordt een leuke avond! Naast mijn saaie lezing, waarbij je ook op de grond mag zitten, gaan we ook lekker bewegen en lekker eten. Het bewegen en het eten worden verzorgd door Steven en Elke van Green Cafe op hun nieuwe locatie.  Wil je er ook bij zijn? Schrijf je in!

De criteria voor causatie in epidemiologisch onderzoek, ofwel de Hill criteria, vormen de rode draad in mijn lezing. En dat helpt me nu al in de voorbereidingen. Zoals ik hierboven al beschrijf, zijn de resultaten van meta-analyses heel consistent. Volgend Hill moeten we echter ook nog naar een heleboel andere aspecten kijken, voordat we de conclusie kunnen trekken of A de oorzaak van B zou kunnen zijn, in dit geval of het eten van rood vlees de oorzaak van welvaartsziekten zou kunnen zijn. En daar zitten toch heel wat addertjes onder het gras.

De eerste adder is de sterkte van de associatie. Het verband tussen het eten van rood vlees en verschillende welvaartsziekten is weliswaar consistent, maar van de sterkte van de associatie was ik niet heel erg onder de indruk. Om een voorbeeld te noemen, het risico op diabetes type 2 is 1,7% en wordt 2,4% voor iedere 50 gram bewerkt rood vlees die mensen per dag eten. Het risico op dikke darm kanker neemt toe van 4,5% naar 5,5% voor iedere 50 gram bewerkt rood vlees per dag. Het eten van onbewerkt rood vlees verhoogt het risico op de hierboven genoemde ziektes minder dan het eten van bewerkt rood vlees. Trek zelf je conclusies.

Wat mij ook, of misschien vooral, opviel in de voorbereiding van mijn presentatie, was het feit dat vrijwel nooit naar het hele voedingspatroon gekeken wordt. Nee, dat is niet waar. Er wordt wel degelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen voedingspatronen en welvaartsziektes. En daaruit blijkt ook iedere keer weer dat een Westers voedingspatroon een hoger risico met zich meebrengt. De vraag of dat komt door het eten van rood vlees of door alle andere aspecten van Westerse voeding wordt bijna nooit gesteld. In de enkele studie waarin die vraag wel gesteld wordt, bijvoorbeeld door te corrigeren voor andere voedingsgroepen, zoals deze Maastrichtse onderzoekers deden, of te scoren op vooraf bepaalde voedingspatronen, zoals deze Amerikaanse onderzoekers deden , verdwijnt het verhoogde risico als sneeuw voor de zon. En die conclusies lijken me in lijn met resultaten uit onderzoek met Paleolithisch-achtige voeding en low carb.

Dan blijven er nog een paar criteria over, waaronder het niet-noodzakelijke criterium van experimenteel bewijs. Hier maakte Georgia Ede eerder gehakt van. Kijk en huiver.

Mechanismen en analogie zijn de twee mechanismen waar ik me nog verder in moet verdiepen voor de 5de juni. Bij mechanismen wil ik me met name richten op neu5Gc, alleen weet ik nog niet zo goed waar ik moet beginnen. Wie weet een mooie beginnerstekst over neu5Gc?

Onder het kopje analogie wilde ik ingaan op de vraag of er ook gezondheidsvoordelen zitten aan het eten van rood vlees. Mijns inziens zijn gezondheidsbevorderende effecten niet precies het tegenovergestelde van gezondheidsrisico’s. Het zou best zo kunnen zijn dat je op de korte termijn meer energie krijgt van het eten van rood vlees, bijvoorbeeld door de goede biologische beschikbaarheid van ijzer, terwijl het op de lange termijn risicoverhogend werkt. Nou vind ik dat een hele moeilijke zoekopdracht. Welke zoektermen gebruik je om wetenschappelijke literatuur te vinden om die vraag te beantwoorden. Nogmaals, suggesties zijn welkom!

Inschrijven voor de lezing en het eten kan op de website van de Ancestral Health Stichting Nederland: https://ancestralhealth.nl/

Advertisements

Wat je eet of hoe je kookt?

Dat het uitmaakt wat je eet, is zo’n beetje het centrale thema van mijn blog. Het maakt echter ook uit hoe je kookt. Bakken, braden en frituren maken eten extra lekker, maar er worden ook schadelijke producten gevormd, waaronder AGEs (Advanced Glycation End-products). Melchior Meijer schreef daar uitgebreid over.

Helen Vlassara, die werkt aan de Mount Sinai School of Medicine in New York, schreef er enkele jaren geleden een boek over. Er leek toen wel enige twijfel te zijn over de vraag of die AGEs in het lichaam zelf geproduceerd worden, of uit de voeding afkomstig zijn. Beide komen voor. Zowel in het lichaam als in voeding worden AGEs gevormd. De vraag was of het uitmaakt hoeveel AGEs er uit voeding afkomstig zijn.AGEs

Dit plaatje komt van healthedgepodcast

In Vlassaras boek is ze daar vrij stellig over: verminder het aantal AGEs in je voeding en je zult langer gezond blijven. Terwijl ze dat boek schreef, was ze waarschijnlijk al goed op weg met het onderzoek waarvan ik de resultaten onlangs tegenkwam. Ze gaf 77 50+sers met metabool syndroom instructies over het verlagen van AGEs in hun voeding, terwijl ze de hoeveelheid, de kwaliteit en de samenstelling van de voeding gelijk moesten houden. Tegelijkertijd werden 61 50+sers met metabool syndroom geinstrueerd niets te veranderen aan hun voeding. Het aantal AGEs in de voeding van de eerste groep ging inderdaad omlaag, het aantal AGEs in de voeding van de tweede groep bleef gelijk. De mensen in de laag AGE groep vielen af, verminderden hun insulineresistentie, oxidatieve stress en ontstekingsmarkers, en, niet onbelangrijk, er waren minder AGEs terug te vinden in hun bloed.

Dat het veranderen van kookmethodes, met de expliciete instructie de hoeveelheid, kwaliteit en samenstelling van de voeding gelijk te houden, tot gewichtsverlies leidde, is op zich al heel interessant. Daar kun je allerlei dingen achter zoeken. Het wordt echter ook gezien als een probleem bij de interpretatie van dit soort onderzoek. De kritische onderzoeker zal zeggen dat het gewichtsverlies de andere verbeteringen veroorzaakte, niet de vermindering in AGEs. Deels kunnen onderzoekers daar rekening mee houden in hun statistische methodes. Ze kunnen uitrekenen in hoeverre de vermindering van bijvoorbeeld insulineresistentie onafhankelijk is van gewichtsverlies. Uit de Resultaten van het onderzoek van Vlassara kan ik niet goed opmaken of ze die berekeningen gedaan hebben en wat daar dan uit kwam. Wat ze wel schrijven, is dat de vermindering van insulineresistentie onafhankelijk was van BMI, hoeveelheid kilocalorieën en nutriënten samenstelling. In hoeverre dat gaat om factoren die aan het begin van de studie gemeten zijn of juist aan het eind, wordt mij niet helemaal duidelijk.

Wat de onderzoekers wel heel duidelijk beschrijven, is dat insulineresistentie, oxidatieve stress en ontstekingsmarkers ook afnamen in deelnemers in de laag AGE groep die geen gewicht verloren. In tegenstelling tot deelnemers in de hoog AGE groep. Daar namen insulineresistentie, oxidatieve stress en ontstekingen niet af, ook niet bij de mensen die wel gewicht verloren. Met andere woorden, de veranderingen lijken wel degelijk toegeschreven te kunnen worden aan minder AGEs in de voeding in plaats van uitsluitend aan gewichtsverlies. Het maakt dus uit wat je eet EN hoe je kookt.

Gelukkig lijkt het ook mogelijk te zijn om AGEs tegen te gaan. Uit onderzoek van mijn collega’s bij Van Hall Larenstein onder 126 kinderen van twee verschillende basisscholen blijkt dat sportieve kinderen een lagere AGE score hadden dan niet sportieve kinderen. Het zou misschien zelfs zo kunnen zijn, dat een hoge koolhydraatconsumptie, wat een voorspeller zou kunnen zijn van hoge AGE scores, gecompenseerd kan worden met voldoende fysieke activiteit.

 

Waarom worden we zo gelukkig van water, zee, rivier of meer?

Altijd als ik de zee zie, word ik een beetje gelukkiger. Waarom gaan de meeste mensen toch altijd op vakantie naar de zee, een meer of rivier? Is dit omdat we meestal naar warmere klimaten op vakantie gaan en het fijn vinden om af te koelen in het water of zit er meer achter?

Allereerst zal ik me even voorstellen. Mijn naam is Anouk Willems en ik ben promovendus bij Van Hall Larenstein en de Rijksuniversiteit Groningen. Hier ga ik onderzoek doen naar verschillende voedingspatronen en gezondheidseffecten samen met Esther. In oktober zijn Esther en ik voor een congres over Evolutionary Nutrition naar Lissabon gegaan. Toen we bovenaan de heuvel stonden en uitkeken over de stad en de rivier vroegen we ons af waarom mensen toch altijd zo naar het water getrokken worden. 75% van de wereldbevolking woont binnen 5km van water.

Het antwoord kwam de volgende dag tijdens een presentatie van Frits Muskiet. In de meeste tekstboeken zal je vinden dat de mens van de savanne komt, maar dat is volgens hem niet logisch, allereerst omdat we dan veel water nodig hadden omdat het daar zo warm en droog is, maar ook omdat we daar als rechtopstaande soort volledig uit de toon zouden vallen als jagers. Denk maar aan luipaarden die door het hoge gras sluipen, hier heb je als viervoeter toch een groot voordeel in vergelijking met een rechtopstaande mens. Hij is daarom voorstander van het idee dat we uit een land-water ecosysteem komen en dan waarschijnlijk uit de Riftvallei omdat deze in die tijd vol water stond.

blog 1
De migratie van de mens vanuit Afrika via de kustlijn

In de ijstijd lag de zeespiegel een stuk lager waardoor de Homo Sapiens vanuit Afrika via de waterrand richting het Midden-Oosten en daarna door naar Europa en Azië ging, waar ze via een veel groter Indonesië naar Australië, Nieuw Zeeland en vervolgens Noord en Zuid Amerika konden. Niet alleen de verplaatsing van de mens is een argument om te zeggen dat we oorspronkelijk uit een land-water klimaat komen. Ook de meeste opgravingen met (pre-) Homo soorten worden gedaan in de buurt van water. Hier zijn ook resten van zeedieren te vinden met beschadigingen op de botten die duiden op het jagen van de mens.

Daarnaast was de groei van onze hersenen niet mogelijk geweest zonder het land-water ecosysteem. Genetisch gezien is er maar één mutatie nodig om een groter (of kleiner, denk aan microcefalie) brein te krijgen. Dit is dus niet de belangrijkste factor geweest voor de groei van onze hersenen, anders hadden we al veel eerder grotere hersenen gehad. Om dit grote brein te krijgen, hebben we de juiste voedingsstoffen nodig. Dit betekent ook dat een slecht dieet leidt tot een kleiner brein. En inderdaad, sinds de agrarische revolutie zijn onze breinen kleiner geworden. Maar wat kunnen we hieraan doen? Het is niet zo dat we binnen enkele generaties ons brein weer groter kunnen maken. We kunnen er wel voor zorgen dat onze breinen minder snel krimpen, door weer een gezond dieet voor ons brein te gaan eten.

blog 2
De krimp van de herseninhoud van de mens

Wat is dan een gezond dieet voor ons brein? Dit is een dieet met de zogenaamde “brain selective nutrients”. Dit zijn nutrienten die het belangrijkst zijn voor onze hersenen namelijk, jodium, selenium, ijzer, vitamine A, D en B12, en visolievetzuren. Dit zijn nutriënten die alleen te vinden zijn in de land-water ecosystemen en dan met name in vis en schelpdieren. Zeewier is ook een goede bron van ijzer, jodium en selenium. Helaas is onze visinname drastisch verminderd waardoor we minder dan de benodigde hoeveelheid van bovenstaande nutriënten binnen krijgen. Daarnaast krijgen we steeds meer omega-6 vetzuren binnen uit plantaardige oliën, bijvoorbeeld linolzuur. Dit heeft tot gevolg dat alfa-linoleenzuur (een omega-3 vetzuur) minder omgevormd wordt en minder ingebouwd wordt in de membranen in onze hersenen. Ook de andere nutriënten zijn van levensbelang. Een verlaagde hoeveelheid jodium tijdens de zwangerschap zorgt voor een lager IQ en meer moeite met lezen in kinderen van 8 en 9 jaar (Bath, Lancet 2013). Ook zijn jodium en selenium betrokken bij de productie van schildklierhormonen die weer van invloed zijn of hersenontwikkeling. Ook vitamine D is van belang bij hersenontwikkeling, maar wanneer er voor een studie navelstrengbloed werd genomen bij zwangere vrouwen, bleek dat 25% van de Europese baby’s een tekort aan vitamine D hadden en zelfs 75% van de niet-Europese baby’s.

Conclusie van deze presentatie was dat we terug moeten naar het Paleolithicum maar met de cultuur van de 21ste eeuw. Dit betekent niet dat we terug moeten naar het oorspronkelijke jagen en verzamelen, maar wel dat we in de supermarkt op de juiste dingen moeten ‘jagen’. Zorg dus dat je verse groente, zeewier en vis gaat eten om de juiste nutriënten voor je brein binnen te krijgen.

“Sometimes it is better to go fishing”

Aan het eind van de dag zijn we met een groep uit eten gegaan en toen we moesten kiezen tussen vlees en vis, heb ik toch maar voor vis gekozen. Ik zal er alles aan doen om mijn brein minder te laten krimpen.

De hele presentatie is hier te bekijken:

https://www.youtube.com/watch?v=nLmeuTKPAq4

Afbeeldingen zijn afkomstig uit de presentatie van Frits Muskiet

Resultaten leefstijlprogramma gepresenteerd

In het voorjaar van 2017 heb ik met twee collega’s een 12 weken durend leefstijlprogramma verzorgd voor patiënten met angst en/of depressie. We hebben de deelnemers gevraagd op een aantal momenten een serie vragenlijsten in te vullen. Op het Ancestral Health Symposium heb ik de scores op de vragenlijsten gepresenteerd. Ik vond de resultaten veelbelovend!

https://ancestralhealth.nl/spreker/symposium-2017/vita-gurvits/

Koolhydraatbeperkte voeding verlaagt HbA1c tijdelijk

Na een jaar zitten patiënten met diabetes type 2 weer op hun oude HbA1c, aldus de recente meta-analyse van Snorgaard en collega’s. Waarom blijft die HbA1c niet laag met koolhydraatbeperkte voeding?

De vraag komt voort uit de conclusie die Ole Snorgaard en collega’s trekken in hun meta-analyse. In die meta-analyse analyseren ze de resultaten van 10 onderzoeken naar het effect van koolhydraatbeperkte voeding bij patiënten met diabetes type 2. De conclusies die de auteurs benadrukten:

  • koolhydraatbeperkte voeding leidt tot significant lagere HbA1c in het eerste jaar
  • hoe groter de koolhydraatbeperking, hoe sterker de verlaging van HbA1c
  • na een jaar is er geen verschil in HbA1c vergeleken met hoog koolhydraat voeding.

En dat roept dus vragen op. Waarom werkt het in het eerste jaar, maar daarna niet meer? We zagen dat ook in het langdurige Zweedse onderzoek met oervoeding. Hoe kan dat? Er zijn natuurlijk meerdere mogelijke antwoorden.

Het eerste voor de hand liggende antwoord, is dat onderzoeksdeelnemers zich in steeds mindere mate houden aan de koolhydraatbeperking. In lang niet alle onderzoeksverslagen wordt gemeld in hoeverre deelnemers zich aan de voorschriften houden, maar in de verslagen waarin dat wél vermeld wordt, is inderdaad te vinden dat de koolhydraatinname licht stijgt over de tijd. Zou het dan zo zijn, dat koolhydraatbeperkte voeding alleen effectief is, als mensen zich er voor altijd strikt aan blijven houden?

Wat de auteurs niet als een van de belangrijkste conclusies vermelden, is de blijvende afname in medicatie bij koolhydraatbeperkte voeding. Oók na een jaar. Ze noemen dat wel als één van de effecten van koolhydraatbeperkte voeding. De afname in medicatie werd ook gevonden in een recenter 52-weken durend onderzoek. Met andere woorden, dezelfde HbA1c wordt bereikt met minder medicatie. En dat lijkt mij winst! Minder medicatie betekent enerzijds minder bijwerkingen en anderzijds meer behandelruimte. Er is weer ruimte ontstaan om medicatie weer te verhogen, wat wellicht zou kunnen leiden tot uitstel van complicaties.

De auteurs noemen ook de optie dat het darmmicrobioom zich langzaamaan weer aanpast naar de oude situatie, waardoor de HbA1c weer stijgt. Ik denk dan meteen aan de hypothese van Ian Spreadbury. Hij stelt dat diabetes type 2 zou kunnen ontstaan, mede doordat zich in het bovenste deel van de dunne darm zogenoemd gram negatieve bacteriën ophouden. De E. coli’s van deze wereld, zeg maar. Die gram negatieve bacteriën zouden zich voeden met vrij beschikbare koolhydraten, bijvoorbeeld uit suiker en granen. En waar veel bacteriën leven, gaan er veel dood. Bacteriën leven immers maar kort. Nadat een gram negatieve bacteriën zijn doodgegaan, komen lipopolysacchariden (LPS) vrij. En LPS is een ware pestkop, wat volgens Ian Spreadbury heel wel een mede oorzaak van diabetes type 2 zou kunnen zijn met een hoge HbA1c als één van de indicatoren.

ecoli

Waar ik aan dacht, is dat die groep bacteriën in eerste instantie een klap krijgt, doordat ze hun lievelingseten niet meer krijgen: vrij beschikbare suikers uit bijvoorbeeld granen en geraffineerde suiker. Het zal met een koolhydraatbeperkt voedingspatroon echter niet lukken om die hele populatie uit te roeien. De bacteriën die overleven, zijn degenen die zich het best hebben weten aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Ik kan me heel goed voorstellen, dat een deel van de gram negatieve bacteriën ook op voedingsvezels kan overleven, en die zijn rijk vertegenwoordigd in een koolhydraatbeperkt voedingspatroon, zeker in voedingspatronen met veel groente. Mijn hypothese zou dus zijn, dat de stijging van de HbA1c in de loop van de tijd, samen zou kunnen hangen met het opkrabbelen van  de populatie gram negatieve bacteriën in het bovenste deel van de dunne darm.

Sorgaard en collega’s verwijzen echter naar een Deens onderzoek waarin insulineresistentie en het darmmicrobioom van 277 Denen bekeken werden. Zij beschrijven een link tussen insulineresistentie en verschillende soorten darmbacteriën, waaronder bijzonder weinig gram negatieve bacteriën. Dat zou kunnen betekenen dat ik ernaast zit. Aan de andere kant, wat we aan de achterkant kunnen meten, hangt niet per se samen met wat zich veel eerder in het spijsverteringskanaal afspeelt. Ik zou daarom de hypothese dat in een deel van de diabetespatiënten de populatie gram negatieve bacteriën zich in de loop van de tijd herstelt, nog niet meteen afschrijven.

Wat denk jij? Wat is de belangrijkste oorzaak van de terugval in HbA1c op koolhydraatbeperkte voeding?

Studenten voelen zich beter met oervoeding

Afgelopen periode veranderde een groep studenten Gespecialiseerd Kok/Dutch Cuisine van voedingspatroon in het kader van een nieuw practicum. Behalve dat een aantal studenten blijvende veranderingen in hun voedingspatroon heeft doorgevoerd, hebben ze ook geleerd wat er in de wetenschappelijke literatuur bekend is over het gekozen voedingspatroon. Verder hebben ze zich verdiept in alternatieven voor bijvoorbeeld koolhydraten of vlees. Tevens hebben de studenten een weekmenu moeten maken op basis van hun gekozen voedingspatroon. Maar één van de belangrijkste opgedane ervaringen is toch wel het ondervinden van de effecten van voeding op je lichaam. plaatje student&voeding

Vanuit het lectoraat Gezonde en Duurzame Voeding & Welvaartsziekten van hogeschool Van Hall Larenstein hebben we dit practicum Student&Voeding ontwikkeld, waarbij studenten gaan ervaren wat de impact is van een ander voedingspatroon op hun eigen leerprestaties en welzijn. Ze zijn hierbij hun eigen proefpersoon!

Het practicum laat studenten uit eigen ervaring leren over de effecten van het onderzochte voedingspatroon. Daarnaast kunnen ze de literatuur induiken en leren over deze effecten. Of leren ze op methodologisch vlak, over opzet, analyse en verslaglegging van onderzoek. Dit practicum is beschikbaar voor alle opleidingen (zie onder voor contactgegevens).

De studenten vullen gedurende 7 dagen dagelijks een paar keer een korte vragenlijst in, terwijl ze niets veranderen aan hun normale voedingspatroon, en vervolgens gedurende 12 dagen, terwijl ze het gekozen voedingspatroon volgen. De lijst van voedingspatronen waaruit kan worden gekozen bestaat uit: intermittent fasting, koolhydraatbeperkt (low-carb), “mindful’’ eten, oervoeding (Paleo), Schijf van Vijf en veganistisch.

Deze verzamelde informatie wordt gebruikt om leeropdrachten uit te voeren. Hiervoor zijn statistische en niet-statistische voorbeeldopdrachten beschikbaar. Docenten zijn vrij om ook hun eigen opdrachten te formuleren. Student&Voeding helpt studenten hun eigen standpunt te zoeken in de discussie rondom gezonde voeding en zich bewust te worden van hun toekomstige rol hierin als professional.

Het practicum is onlangs van start gegaan met de eerste studenten! Dit betrof studenten van de opleiding Gespecialiseerd Kok/Dutch Cuisine aan het ROC Friese Poort te Sneek. Deze unieke opleiding richt zich op koks van en voor de toekomst. Een mooie groep studenten om de spits mee af te bijten.

Na instructie stonden sommige studenten wel twijfelend tegenover het feit dat ze 12 dagen lang een ander voedingspatroon moesten volgen. Aangezien iedere student al werkzaam is als kok naast de opleiding, kwamen vragen als ‘’hoe past dit voedingspatroon in mijn onregelmatige werkschema?’’ al snel naar voren. Gelukkig waren ze allemaal toch vol goede moed begonnen.

We waren dan ook heel benieuwd naar de ervaringen van de studenten. Na afloop van de 12 dagen zijn we snel naar Sneek gegaan om deze te horen. Het was een ontzettend leuke middag waarin we hele positieve reacties hebben ontvangen. De studenten die oervoeding en koolhydraatbeperkt hadden gegeten waren aangenaam verrast. De eerste dagen waren zwaar, maar na deze aanpassingsperiode merkten zij echt positieve effecten! Dit waren effecten als beter slapen, gewichtsverlies, meer energie of minder trek in frisdrank en fruitsapjes. Ze voelden zich algeheel gewoon veel fitter bij het gekozen voedingspatroon. Eén student dronk altijd frisdrank, maar moest voor het gekozen voedingspatroon overstappen op water. Tot zijn verbazing voelde hij zich hier echt beter bij en had hier ook nog eens totaal geen moeite mee. Zijn ouders waren zelfs zo verbaasd dat hun reactie ‘’huh, drink jij nou water?’’ was! Maar hij gaf aan dat hij voortaan water blijft drinken. Als je hierdoor lekkerder in je vel zit, is dit ook niet moeilijk vol te houden.

De studenten die ‘’mindful’’ hadden gegeten merkten dat ze beter luisterden naar de signalen van hun lichaam. Door rustiger en met meer aandacht te eten, eet je niet meer dan je nodig hebt.

De student die het voedingspatroon intermittent fasting had gevolgd, hield een tijdsframe van 12.00-20.00 aan waarin gegeten mocht worden. Deze student viel het de eerste dagen zwaar om niet te kunnen ontbijten. Maar op den duur accepteerde zijn lichaam dit en ging de enorme trek in de ochtend over.

Het veganistische voedingspatroon kwam het minst goed uit de verf. De docent en student die veganistisch hadden gegeten, vonden dit erg moeilijk. De student heeft het voedingspatroon niet 12 dagen kunnen volhouden. Hij gaf aan dat hij geen puf had en echt energie tekort kwam. Energie die hij wel nodig had voor zijn werk. De docent heeft het wel 12 dagen lang volgehouden maar gaf aan dat zijn energielevel iedere dag lager werd. Daarnaast raakte hij sneller geïrriteerd dan normaal.

Al met al was iedereen erg enthousiast over het practicum en de uitkomsten! Je voedingspatroon veranderen blijkt toch wel makkelijker dan gedacht, zeker als je positieve effecten ervaart. Enkele studenten hebben zelfs blijvende veranderingen toegepast. Bijvoorbeeld geen frisdrank/fruitsapjes meer, een handje noten iedere dag als gezonde snack of een kom yoghurt met noten als ontbijt in plaats van brood. Super om te horen natuurlijk!

Voor ons een geslaagde eerste uitvoering van het practicum Student&Voeding! Student&Voeding is beschikbaar voor iedere opleiding. Heb je interesse hebben om het practicum in te zetten? Neem dan contact op met Laura Baars via laura.baars@hvhl.nl

bron tekst

 

Voldoen aan de norm gezond bewegen en toch niet gezond bewegen?

Dat kan, aldus zowel hoogleraar Hans Savelberg, die een presentatie gaf tijdens het symposium Groen? Doen! dat georganiseerd werd door De Friesland Zorgverzekering, als Katy Bowman, die een presentatie gaf tijdens het Amerikaanse Ancestral Health Symposium. Beiden breken een lans voor een bredere kijk op gezond bewegen dan de huidige norm. De huidige norm is gebaseerd op tenminste 30 minuten fysieke activiteit per dag. Als je je houdt aan die norm, maar de rest van de dag zit, ben je tóch niet gezond bezig!

Savelberg onderbouwde die stelling met data uit een aantal leuke experimenten. In het eerste experiment liet hij gezonde studenten drie maal vier dagen een beweegprogramma volgen. Het programma bestond in alle drie de gevallen uit 8 uur slapen.

  • Programma 1 bestond daarnaast uit 1 uur wandelen en 1 uur staan. Verder zitten. 14 uur op een dag zitten.
  • Programma 2 bestond naast die 8 uur slapen uit 1 uur wandelen, 1 uur staan en 1 uur sporten. De overige 13 uur moesten de studenten zitten.
  • Programma 3 bestond, naast weer 8 uur slapen, uit 5 uur wandelen, 3 uur staan en nog maar 8 uur zitten.

Qua zittijd ontliepen programma 1 en programma 2 elkaar niet. Qua energieverbruik ontliepen programma 1 en 2 elkaar natuurlijk wel. Programma 2 en 3 ontliepen elkaar niet qua energieverbruik, maar wel qua zittijd. And guess what? Alleen programma 3 gaf een gunstiger gezondheidsprofiel. Na programma 3 hadden de studenten een betere insulinegevoeligheid en een gunstiger lipidenprofiel dan na zowel programma 1 als programma 2. Met andere woorden, met een uur sporten kun je niet compenseren voor een hele dag zitten.

In een ander experiment liet een groep Nieuw Zeelandse onderzoekers mensen ieder half uur 1 minuut en 40 seconden opstaan en een beetje bewegen. En ja, je raadt het al, dat helpt wél tegen de negatieve effecten van zitten.

Katy Bowman ging verder dan de fysieke activiteit waar Savelberg over sprak. Zij is van mening dat we ook zouden moeten kijken naar beweging zonder fysieke activiteit. Een voorbeeld. Kijk naar een raamkozijn en verplaats je blik van het kozijn naar buiten en terug. Er vindt beweging plaats in je oog, die niet voldoet aan de definitie van fysieke activiteit. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het aanpassen aan warmte of koude. Die aanpassing vindt plaats door allerlei bewegingen die de warmteprocessen in je lichaam veranderen. Maar wederom geen fysieke activiteit.

Bowman beargumenteert dat onze omgeving bewegingsarmoede stimuleert. De ondergrond waarover we lopen is vlak. Hierdoor hoeven onze voeten zich vrijwel nooit meer aan te passen aan de grillen van de oppervlaktes waarover we lopen. Of neem het zitten op stoelen. Gaan zitten op een stoel en opstaan van een stoel vraagt veel minder verschillende bewegingen van ons lichaam dan gaan zitten op en opstaan van de grond. Wederom bewegingsarmoede.

Is bewegingsarmoede erg? Ook als het gaat om psychische gezondheid? Savelberg lijkt een duidelijk punt te hebben als het gaat over fysieke gezondheid, door het te hebben over insulinegevoeligheid en bloedvetprofielen. We weten dat insuline ook in de hersenen een belangrijke rol heeft, dat insulinegevoeligheid samenhangt met bijvoorbeeld depressie. En hetzelfde geldt voor het lipidenprofiel in het bloed. En ook Bowman heeft waarschijnlijk een punt. Zij haalt in haar presentatie een onderzoek aan waaruit zou blijken dat het kauwen van voedsel de doorbloeding van onze hersenen beïnvloedt. Dus ja, ik zou denken dat beide vormen van bewegingsarmoede, namelijk te ongelijk over een dag verdeelde fysieke activiteit en te weinig bewegingsaanpassingen vragen van ons lichaam, niet alleen onze fysieke, maar ook onze psychische gezondheid beïnvloeden.