Category Archives: Uncategorized

Paleo dieet veroorzaakt mogelijk jodiumtekort.

Eigenlijk mag het niet echt nieuws genoemd worden, dat een modern paleodieet tot een jodiumtekort zou kunnen leiden.Toch was er tot nu toe nooit over gepubliceerd in de wetenschappelijke literatuur.

Uit de groep van Mellberg, waar ik al eerder onderzoek van beschreef, is nu een artikel verschenen over jodium en schildklierfunctie. En inderdaad, Na 6 maanden had de paleogroep lagere jodiumgehaltes dan op baseline, terwijl de controlegroep, die de Noordelijke voedingsadviezen volgde, gelijk bleef.

Is dat erg? Tja, dat klinkt misschien een beetje flauw, maar ik weet het niet. Eerder schreef ik ook al over de vreemde relatie tussen jodium en schildklierfunctie. Zowel te veel als te weinig jodium worden in verband gebracht met zowel een overactieve als een onderactieve schildklier. En dan snap ik het dus niet meer. Dan moet er volgens mij een andere factor zijn die invloed heeft. Voor zover ik weet is er weinig bekend over schildklierfunctie bij jagers en verzamelaars, dat zou ons natuurlijk op een spoor kunnen zetten. Dan zou je schildklierproblemen mogelijk in verband kunnen brengen met de dominante koolhydraatbron in verschillende populaties, zoals gierst, maïs en peulvruchten, die allemaal uitgesloten waren in de paleogroep. Maar ook koolsoorten cassave en zoete aardappel bevatten stoffen die de schildklierfunctie belemmeren, en die mogen dan weer wel gegeten worden. Jammer genoeg wordt uit de artikelen van de groep van Mellberg niet duidelijk wat de bronnen waren van koolhydraten, eiwitten en vetten in beide groepen.

De schildklierfunctie van de onderzoeksdeelnemers in de paleogroep leek inderdaad omlaag te gaan. De concentratie vrij schildklierhormoon (FT3) was na 6 maanden lager dan concentratie FT3 in de controlegroep. En ook daarvan kun je je afvragen of het erg is. T3 stimuleert de spijsvertering, verhoogt de lichaamstemperatuur en de hartfrequentie en nog zo wat van die dingen. Of de concentraties FT3 in de controlegroep aan de hoge kant of in de paleogroep aan de lage kant lagen, wordt uit de samenvatting niet duidelijk. Helaas heb ik geen toegang tot het volledige artikel, waarschijnlijk door een conflict tussen de Nederlandse universiteiten en een aantal uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften. Ik heb de auteurs van het artikel gemaild, dus misschien weet ik binnenkort meer.

Advertisements

Artikel over haalbaarheidsstudie gepubliceerd!

Alweer ruim een jaar geleden beschreef Esther Bikker op dit blog de eerste resultaten uit de haalbaarheisstudie die we gedaan hebben onder 35 vrijwilligers. Sinds kort zijn de resultaten terug te vinden in de wetenschappelijke literatuur: Feasibility of a Web-Based Cross-Over Paleolithic Diet Intervention in the Normal Population.

Ik ben benieuwd wat jij vind van de periode die zat tussen het afronden van de studie en de daadwerkelijke publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift? Meer dan een jaar, is dat lang, of is dat juist kort?

We hebben de resultaten relatief snel opgeschreven. In eerste instantie was ik niet van plan de resultaten te publiceren. Het zijn immers maar resultaten van een haalbaarheidsstudie, die niet was opgezet om een definitief antwoord te geven op de vraag of een paleodieet lichamelijke en psychische klachten kan verminderen in de normale bevolking. Nadat ik de resultaten gepresenteerd had op een internationaal depressiecongres in Amsterdam, werd ik gevraagd door Felice Jacka, een vooraanstaande Australische wetenschapper die veel onderzoek doet naar de relatie tussen voeding en depressie, naar welk tijdschrift ik mijn manuscript ging sturen. Ik legde haar uit dat ik niet van plan was ze te publiceren. Ze haalde me over om het toch te doen. Zij zei veel vragen te krijgen over het paleodieet, terwijl er helemaal niets terug te vinden is in de wetenschappelijke literatuur over het paleodieet en psychische problemen. En Jacka zei dat ze bezig was met een speciale editie over voedingspsychiatrie van het tijdschrift Nutritional Neuroscience. Of ik mijn manuscript in wilde dienen voor die speciale editie. Zo werd ik overgehaald toch een manuscript te schrijven over de haalbaarheidsstudie.

Dat congres was in juli 2016, in september 2016 was het manuscript af. Dat is wat ik bedoel met relatief snel opgeschreven. Aangezien ik in juli op vakantie was en in augustus in Boulder, Colorado, voor het AHS, hebben we het manuscript in iets meer dan een maand geschreven. Het is meestal een behoorlijke klus om alles netjes uit te rekenen en op te schrijven, dus dat vind ik best wel heel snel gedaan.

Het schrijfproces was afgerond in september 2016, publicatie vond plaats in juni 2017. Is dat lang of kort? Nadat je het schrijven van een wetenschappelijk artikel hebt afgerond, stuur je het op naar een wetenschappelijk tijdschrift, in dit geval dus Nutritional Neuroscience dus. Het manuscript wordt dan door de hoofdredacteur naar twee onbekende collega’s gestuurd, die het gaan beoordelen. Half februari heb ik de hoofdredacteur maar eens een e-mail gestuurd met de vraag of hij al nieuws had? Hij had nog een beetje tijd nodig, er moest nog één collega naar kijken. Een week later kreeg ik bericht dat het manuscript niet gepubliceerd zou worden voor de speciale editie over voedingspsychiatrie. Het belangrijkste commentaar: “there is a huge ethical concern over a study where participants are given instructions that could impact negatively on their health”.

Daarna heb ik het manuscript herschreven voor een methodologisch tijdschrift. De focus van het manuscript was nu vooral dat de voedingsinterventie geheel via internet plaatsvond. De hoofdredacteur van dat tijdschrift wees het manuscript af zonder het naar collega’s te sturen met als terecht commentaar dat een interventie via internet niet echt innovatief was.

Vervolgens heb ik het manuscript een tijdje laten liggen. In dubio. Wat is belangrijker? Dat het snel beschikbaar komt? Of dat het gepubliceerd wordt in een goed tijdschrift, zodat het goed staat op mijn CV? Ik koos voor het eerste. Om heel eerlijk te zijn, zag ik het niet zitten om het te herschrijven, aan te passen aan de opmaakinstructies van een nieuw tijdschrift, weer maandenlang te moeten wachten op commentaar, het te moeten herschrijven om vervolgens te horen dat het niet gepuliceerd kan worden. En dan dat hele riedeltje opnieuw te doorlopen. Daarom koos ik ervoor het op te sturen naar het Journal of Evolution and Health, het tijdschrift van de Amerikaanse Ancestral Health Stichting. Niet bepaald een hoogvlieger, maar wel een tijdschrift met gerespecteerde wetenschappers in de redatie die openstaan voor de evolutionaire benadering en bijgehorende interventies. Dus herschreef ik het manuscript met behulp van de commentaren die ik eerder had ontvangen, paste het aan aan de opmaakinstructies van het Journal of Evolution and Health, en voilà, het werd, na nog wat kleine aanpassingen, binnen een maand geaccepteerd en online, voor iedereen leesbaar, gepubliceerd:

Feasibility of a Web-Based Cross-Over Paleolithic Diet Intervention in the General Population

Glutenvrij slecht voor je gezondheid?

Vandaag verscheen op nu.nl het bericht dat glutenvrij eten mogelijk schadelijk zou kunnen zijn voor je gezondheid, althans, voor mensen die geen coeliakie of glutenintolerantie hebben. Dit was een resultaat van onderzoek onder de deelnemers van de Nurses’ Health Study. Ik denk dat die conclusie wel klopt.
Wat er namelijk gebeurt, en dat schrijven de onderzoekers ook, is dat mensen die kiezen voor glutenvrije alternatieven, in feite de terugstap maken van volkorengranen naar geraffineerde koolhydraten. Glutenvrije alternatieven bestaan vrijwel altijd uit zetmelen van verschillende glutenvrije granen, zoals rijst en maïs, al dan niet gecombineerd met bijvoorbeeld aardappelzetmeel. Het equivalent van witbrood dus. De resultaten laten inderdaad zien, dat mensen die meer gluten aten, een lager risico hadden op hart- en vaatziekten. De resultaten laten ook zien, dat het verschil toe te schrijven was aan de hogere consumptie van geraffineerde granen bij mensen die minder gluten aten. De conclusie luidt dus eigenlijk, dat glutenvrije alternatieven mogelijk schadelijk zouden kunnen zijn voor je gezondheid.
De onderzoekers keken niet naar groenteconsumptie. Groenten kunnen, en worden, ook gebruikt als glutenvrij alternatief, denk bijvoorbeeld aan courgetti, bloemkoolcouscous of pompoenlasagne. Het lijkt mij sterk dat die glutenvrije alternatieven dezelfde negatieve gezondheidseffecten hebben. Groenten bevatten immers per calorie méér vezels, méér vitamines en méér mineralen dan volkorengranen. En dat lijkt mij meer dan welkom in een wereld waarin we te veel calorieën en te weinig vezels, vitaminen en mineralen binnen krijgen!

IMG_0221
Pompoenlasagne naar Marinka Bils recept uit haar Slowcooker kookboek.

Omega-3 vetzuren haal je uit de zee

De lezingen van het Nederlandse Ancestral Health Symposium 2016 staan online! De lezing van dr. José Joordens had als titel Water en vuur, maar eigenlijk gaat haar lezing vooral over de uit het water afkomstige omega-3 vetzuren. José legt heel duidelijk uit dat omega-3 vetzuren ontstekingsremmend werken en het best uit watervoedsel gehaald kunnen worden. De meeste landplanten bevatten weinig omega-3, zeker als je ze ziet in de context van de hoeveelheid omega-6 vetzuren, waar Westerlingen gemakkelijk teveel van binnenkrijgen. Watervoedsel bevat veel omega-3, voornamelijk doordat plankton, wat onderaan de watervoedselketen staat, omega-3 vetzuren maakt.

http://ancestralhealth.nl/spreker/symposium-2016/josephine-joordens/

Een ander verschil tussen land omega-3 en water omega-3 is de lengte van de vetzuurketens. Omega-3 in landplanten is korter dan omega-3 uit watervoedsel en moet door het lichaam verlengd worden, voordat het functioneel is. Mensen kunnen dat, alleen verschilt het heel erg tussen mensen in welke mate ze dat kunnen. Van Inuit is bijvoorbeeld bekend dat ze die capaciteit zo goed als niet bezitten. Mensen uit India daarentegen, zo stelt Joordens, hebben die capaciteit juist wel. Deze lezing is echt een aanrader voor iedereen die wat meer wil weten over de omega’s in vetten!

Het formulier voor het indienen van presentatievoorstellen voor AHS-NL 2017 staat ook online: http://ancestralhealth.nl/voorstel-lezing-indienen/, dus als je een lezing wilt geven, of als je iemand kent die een goede lezing zou kunnen geven, vult het fomulier in! Het thema is leefstijlinterventies. Het symposium is op 30 september in Maastricht. Keynotes zijn Leo Pruimboom en Hanno Pijl!

Maakt groente en fruit gelukkig?

Dat groente en fruit goed zouden zijn voor de lichamelijke gezondheid, is algemeen bekend. Of je ook gelukkiger wordt van het eten van groente en fruit, is een vraag die in de wetenschappelijke literatuur nog niet vaak aan bod gekomen is. Althans, niet voor zover ik dat kon vinden. Er is wel veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen voedingspatronen en bijvoorbeeld depressie, maar dat is toch wat anders dan geluk.

happy_cherries

Vorig jaar publiceerden twee Australiërs resultaten van een grote epidemiologische studie, waarin ze vonden dat mensen die in de twee jaar tussen twee onderzoeksmomenten meer groente en fruit gingen eten, gelukkiger werden. De Australiërs deden een hele reeks statistische tests om te controleren of het wel echt groente en fruitconsumptie was dat het geluk verhoogde in plaats van andersom. Al kun je daar nooit helemaal achter komen in epidemiologisch onderzoek, alle statistische tests wezen wel die kant op. De resultaten werden bevestigd in recentere onderzoeken naar psychische welbevinden en psychische stress.

Het jammere van de Australische studie is, dat er een periode van twee jaar zat tussen de onderzoeksmomenten. Ik denk dat twee te lang is om mensen te motiveren meer groente en fruit te eten. Gelukkig lijkt het eten van meer groente en fruit al veel snelle een positieve stemming (affect) te veroorzaken. Dagboekdata van 281 jongvolwassenen suggereren dat mensen zich een dag na het eten van veel groente en fruit al beter voelen.

De hoeveelheid groente en fruit die je zou moeten eten om deze voordelen te ervaren, is trouwens best behoorlijk. Om een stijging in geluk te ervaren die vergelijkbaar is met het vinden van een baan na een periode van werkloosheid, werd geschat op 8 porties per dag. Ook voor een merkbaar effect op een positieve stemming, waren 7-8 porties groente en fruit per dag nodig. Ter vergelijking, voor meetbare effecten op lichamelijke gezondheid zijn 12 porties per dag nodig. Het effect van 6 porties was niet meetbaar.

Rood vlees en depressie

In reactie op mijn post over Australisch onderzoek naar de effectiviteit van een voedingsinterventie voor depressieve patiënten, twitterde @GJVU

//platform.twitter.com/widgets.js 

Tja, daar krijg ik woorden in de mond gelegd, die ik niet geschreven heb. En daarom schrijf ik ze nu.

red-meat_newstarget
-Afbeelding van newstarget.com naar aanleiding van WHO rapport over carcinogene effecten van rood vlees. Paleoleap.com gaf trouwens een heldere nuancerende uitleg-

Laat ik voorop stellen, dat de hypothese dat mensen minder depressief worden van rood vlees nooit onderzocht is. Dat ga ik dus ook niet beweren. Er is wel een aantal aanwijzingen, dat het misschien geen klinkklare onzin is.

De eerste aanwijzing komt van epidemiologisch onderzoek. Dat is onderzoek waar aan grote groepen mensen gevraagd is wat ze eten en hoe depressief ze zich voelen. En daar komt steevast uit dat mensen die geen vlees of vis eten vaker te maken hebben met depressies dan mensen die wel vlees of vis eten (Burkert et al., 2014; Jacka et al., 2012).

Uit dit soort onderzoek kun je geen conclusies trekken over oorzaak en gevolg. Michalak en collega’s probeerden die vraag toch een beetje te beantwoorden. Ze hebben in een grote groep mensen gezocht naar vegetariërs die te maken hebben (gehad) met depressie. Aan die mensen vroegen ze hoe oud ze waren toen ze stopten met het eten van vlees en vis en hoe oud ze waren toen ze voor het eerst met depressies te maken kregen. En, nee, de depressies leken niet het gevolg te zijn van het vegetarische voedingspatroon. Het leek eerder andersom. Deze mensen kregen gemiddeld op hun 25ste voor het eerst een depressie en stopten op gemiddeld 30-jarige leeftijd met het eten van vlees en vis.

Aan de andere kant zijn er ook twee publicaties in jongeren, waarin ook gevonden wordt dat jongeren die vegetarisch eten vaker te maken hadden met depressie. In een van die onderzoeken waren de onderzoeksdeelnemers gemiddeld 15 jaar oud. Dat maakt het volgens mij minder waarschijnlijk dat het vegetarische voedingspatroon volgde op de depressie.

Een sterkere lijn van bewijsvoering kun je zoeken in interventiestudies. Niet alleen omdatde deelnemers daadwerkelijk iets veranderd hebben in hun voedingspatroon en veranderingen in depressieve klachten gemeten zijn, maar ook omdat hier duidelijker onderscheid gemaakt kan worden tussen vis en rood vlees. Er zijn best veel van dat soort onderzoeken gedaan. Opie en collega’s hebben een mooie opsomming van als die onderzoeken gemaakt.  En zij winden er geen doekjes om. Onderzoeken waarin geadviseerd werdom minder rood vlees en/of minder cholesterol te eten leidde minder vaak tot minder depressieve klachten dan onderzoeken waarin dat niet geadviseerd werd. Het overgrote deel van dat onderzoek werd gedaan niet-depressieve mensen, de Australische trial waar ik eerder over schreef, is eigenlijk de eerste goed uitgevoerde voedingsinterventie bij depressieve patiënten. En inderdaad, hun advies was om iedere week 3 tot 4 porties rood vlees te eten.

Nu rest de vraag wat er dan in rood vlees zit, waarmee dit verband verklaard zou kunnen worden? Ik weet het niet. Jij?

Voeding als medicijn voor depressieve patiënten

Een gezonder voedingspatroon kan depressies verhelpen. Voor iedere vier patiënten met depressie die voedingsadviezen kreeg, herstelde er één. Ter vergelijking, je moet 11 patiënten met antidepressiva behandelen om er één te laten herstellen. Het effect van die voedingsinterventie kun je dus gerust indrukwekkend noemen.

jacka_2017

Fig. 2 uit Jacka et al. (2017) BMC Medicine
MADRS scores for dietary support and social support control groups at baseline and endpoint. Effect size: Cohen’s d = –1.16 (95% CI –1.73, –0.59). Baseline data n = 67; 12 week data n = 56

Dat resultaat werd bevestigd door de secundaire uitkomstmaten. Symptomen van zowel depressie als angst werden minder en de algemene klinische indruk verbeterde significant meer dan in de controlegroep. Aan de andere kant, hun gemoedstoestand, welzijn en zelfredzaamheid verbeterden in beide groepen evenveel. Bloedwaardes als glucose, cholesterol, triglyceriden en vetzuren in plasma verbeterden niet. Verbeteringen waren overigens niet gecorreleerd aan gewichtsverlies, wel aan de mate waarin deelnemers het advies opvolgden.

De controlegroep kreeg sociale steun in plaats van voedingsadviezen. Die sociale steun duurde steeds even lang en met dezelfde intervallen als de voedingsadviezen. Op die manier kun je onderzoeksresultaten nauwelijks toeschrijven aan verschillen in aandacht, tijd, of verwachtingen. Deelnemers zagen hun hulpverlener in het kader van het onderzoek in totaal 7 keer over een periode van 12 weken. Wekelijks in de eerste vier weken, daarna om de week. Reguliere zorg liep gewoon door.

Mijn vraag was natuurlijk, wat het voedingsadvies inhield? In ieder geval ruim voldoende dierlijke eiwitten: per week 2 porties vis, 3-4 porties mager rood vlees, 2-3 porties kip en maximaal 6 eieren. Veel groente en fruit: 6 porties groente en 3 porties fruit per dag. Verder behoorlijk wat vet: 3 eetlepels olijfolie per dag. En ook 5-8 porties volkoren granen en 2-3 porties magere, ongezoete zuivel.

Blijkbaar is dit voedingsadvies voldoende om depressieve symptomen te verminderen, maar niet om in deze groep ook veranderingen in biomarkers teweeg te brengen. En dat zet mij aan het denken. Zou het effect op depressie nóg groter geweest zijn, als er ook verbeteringen in bijvoorbeeld triglyceriden geweest zouden zijn? Of in de verhouding omega-6 omega-3 in het bloedplasma? Of zou het juist averechts werken om het voedingspatroon zo stevig overhoop te gooien dat triglyceriden naar beneden gaan?

Binnenkort gaan we beginnen met het aanbieden van een therapeutisch leefstijlprogramma voor patiënten met depressie en/of angst bij Lentis, een GGZ instelling in Groningen. Het programma richt zich op bewegen, ontspannen én voeding, met koolhydraatbeperking als richtlijn. En dat is een advies waarvan je wél een verandering in bloedwaardes kunt verwachten. Ik ben dus heel benieuwd wat er zal gebeuren met symptomen van depressie en angst.

Er is trouwens nog plek in die groep, dus als je iemand weet die onder behandeling is bij Lentis voor depressie en/of angst en intensief aan zijn leefstijl wil werken onder begeleiding van twee Esthers (mijzelf en leefstijlcoach Esther Steffek). Laat diegene zich aanmelden via integralepsychiatrie@lentis.nl met TLP als onderwerp. Of even bellen met het secretariaat: 050-522 3135.